Rob Roggema, lector Ontwerpen aan Stadslandbouw

“We onderschatten de rol die voedsel in de stad kan spelen”

Ondanks alle initiatieven om meer gewassen binnen de bebouwde kom te verbouwen, is dat volgens Rob Roggema, lector Ontwerpen aan Stadslandbouw, aan Hogeschool Van Hall Larenstein, helaas nog geen factor van belang in de manier waarop wij onze steden inrichten. “We onderschatten de rol die voedsel in de stad kan spelen.”

 

Rob RoggemaIn de laatste jaren zijn er veel voedselinitiatieven in Nederlandse en Belgische steden ontstaan, maar u vindt dat niet voldoende?
“Begrijp mij goed. Iedere pluk- of buurttuin waar mensen enthousiast bezig zijn, is winst, dat is prachtig. Ook staat stadslandbouw bij veel gemeenten op de agenda en er wordt steeds meer over geschreven, wat betekent dat het onderwerp in de belangstelling staat. Maar ik heb er ook een belangrijke kanttekening bij, namelijk dat het toch bij kleine, individuele projecten blijft. Het gaat om kleine plukjes in onze steden, terwijl de potentie veel groter is.”

Waarom is voedsel in de stad volgens u van belang?
“We gaan er nog steeds vanuit dat alles wel in de supermarkt te krijgen is en dat de voorraad eindeloos is. Maar de voedselveiligheid staat onder druk door verschillende schandalen en we krijgen steeds meer te maken met epidemieën. Daarom zijn we meer aangewezen op voedsel dat we in ons eigen land verbouwen en consumeren. Het moment dat het echt nodig zal zijn, komt steeds dichterbij en het aandeel voedsel dat wij uit onze eigen omgeving gaan gebruiken, zal toenemen.”

Maar onze steden zijn daar niet op ingericht?
“Dat is een understatement. Nu bestaat zes tot zeven procent van een stadswijk uit openbaar groen en het aantal claims op die ruimte is enorm. We gebruiken dat voor recreatie, als ecologisch groen en kijkgroen. Nu komt daar ook stadslandbouw bij, maar de ruimte is te beperkt en dat heeft alles te maken met de manier waarop wij wijken ontwikkelen en het geld dat die op moet leveren. Een grove schatting laat zien dat we nu ongeveer tweeduizendste procent van het voedsel dat in steden geconsumeerd wordt, daar ook geproduceerd wordt. Dat is dus een onzichtbare druppel op een gloeiende plaat.”

Hoe kan daar verandering in komen?
“Als je eetbaar groen een substantieel onderdeel van de stad wil laten zijn, dan moeten we die echt anders gaan ontwikkelen. Dan moet er een serieuze claim op de ruimte gelegd worden. Minstens dertig procent van een stadswijk. Je kan bovendien aan het enorme potentieel van platte daken denken, maar ook aan gevels en, met behulp van led-verlichting, kan dat ook in lege kantoorgebouwen en zelfs onder de grond. En als we onze wijken in lagere dichtheden bouwen, dan is er simpelweg meer ruimte voor stadslandbouw. Bovendien moeten we onze steden ook beter instellen op de klimaatverandering. We hebben verkoeling nodig en tegelijkertijd moeten we overvloedig water voldoende ruimte geven. Zo kunnen we dus twee vliegen in een klap slaan!”

Maar er wordt nogal eens gezegd dat stadslandbouw nog te weinig oplevert?
“Dat denk ik niet. Bewustwording is denk ik een groter probleem dan verdienmodellen. Bovendien is er veel meer ruimte beschikbaar dan we denken. Uit een studie in opdracht van de Rijksbouwmeester is onlangs gebleken dat in Amsterdam nu al zo’n 17 procent van de openbare ruimte voor voedselproductie gebruikt kan worden. Het wordt niet benut, terwijl daar ook gewoon geld verdiend kan worden. Daarnaast moeten we onze steden flexibeler inrichten.”

Op wat voor manier kunnen we onze steden flexibeler maken?
“Op allerlei manieren merken we dat soms aan iets meer behoefte is dan op een ander moment. Denk bijvoorbeeld aan scholen: soms zijn er daar veel van nodig, maar enkele jaren later niet meer. Als we meer vrije ruimte in onze steden hebben, dan kunnen we scholen, maar bijvoorbeeld ook stadslandbouw meer ruimte geven. Ik noem dat zwermende planologie waarbij je voor de productie van voedsel, zeg om de drie jaar, steeds de beste plek kiest. Een geheel andere manier is om veel meer in verticale landschappen te denken: in Azië gebeurt dat al. In hoge gebouwen kan een verdieping eerst als kantoor gebruikt worden, maar later net zo goed voor natuur, als strand of voor de productie van voedsel. Met dat soort slimme flexibele inrichting van onze steden en gebouwen, kunnen we veel beter inspelen op wat we nodig hebben in de stad.”

 

Daktuinen in een favela in Rio

Rob Roggema1“Hoe kunnen we de mensen in deze favela het beste helpen?” Die vraag van Rob Roggema, op vakantie in Brazilië, leidt straks misschien tot een heel ander aanzien van de arme wijken in de stad. Want het antwoord was dat de mensen het liefste iedere maand een zak bonen of rijst konden krijgen. Roggema: “Maar het is natuurlijk veel beter om mensen bij wijze van spreken te leren vissen, dan ze vis te geven.” Er werd vanuit zijn hogeschool een project opgezet en twee studenten gingen aan de slag om te onderzoeken hoe voedsel op het dak het beste geteeld zou kunnen worden. Roggema: “Heel veel woningen daar hebben platte daken, maar voedsel verbouwen gebeurde er eigenlijk niet. Wel konden bewoners op het gemeentehuis zaadjes uit een schoenendoos krijgen, maar dat was het. En dat terwijl Rio en vooral de volle favela’s heel weinig groen kennen en op de daken juist kansen liggen.”

Uitgangspunt was dat de daktuin gemakkelijk verplaatst zou kunnen worden. Roggema: “Bewoners bouwen het liefste zo veel mogelijk verdiepingen op hun huis omdat ze zo’n extra laag dan kunnen verhuren. Dat levert geld op en daarom is het van belang om de daktuin ook gemakkelijk te kunnen verplaatsen.

Rob Roggema 3De studenten hebben onder begeleiding van Roggema een aquaponics-systeem opgezet, waarin veel restmateriaal hergebruikt wordt..De uitwerpselen van de vissen die in open vaten zwemmen, worden als mest gebruikt voor de planten. En afval van de planten is voor een deel als voer voor de vissen te gebruiken. “Op die manier ontstaat een kringloop. Met een verticaal systeem waar we de kruiden in gehangen hebben, proberen we ook zo veel mogelijk water op te vangen.” Bij de keuze van de kruiden en groente is uitgegaan van de wensen van de bewoners. “We hebben eerst gevraagd wat de enthousiaste bewoner, die we inmiddels gevonden hadden, eigenlijk in zijn tuin zou willen hebben. Groene pepers, aardbeien, kruiden, tomaat en paprika kregen we als antwoord. Gelukkig was dat te krijgen want het assortiment van tuincentra in Rio is wat beperkter dan in Nederland.”

Rob Roggema 2Eén daktuin is een begin, maar verandert nog niet het aanzien van een hele favela. Toch kan het een belangrijk begin zijn. Niet alleen zijn er op korte termijn plannen voor de aanleg van meer exemplaren, met eenzelfde systeem dat in de hitte van de Braziliaanse zomer relatief gemakkelijk onderhouden kan worden. Het toeval wil dat de lokale overheid concrete plannen heeft om de voorzieningen in de favela’s – schoon water, riolering en dergelijke – te verbeteren. In de voorwaarden die de gemeente aan aannemers stelt, is de verplichting van een daktuin opgenomen, als de betreffende bewoner dat wil. “Een prachtig resultaat,” aldus Roggema, die ook zeer te spreken is over het enthousiasme dat in de favela ontstond toen de eerste daktuin werd aangelegd. “Mensen roepen daar van alles naar elkaar op straat. Iedereen wilde weten waar we mee bezig waren en sommigen begonnen spontaan mee te helpen. Een heel bijzondere ervaring, vooral voor mijn studenten die nu overwegen om een bedrijf te beginnen met de aanleg van daktuinen.” Ook Roggema zal betrokken blijven want er wordt een uitwisselingsprogramma opgezet voor Braziliaanse en Nederlandse studenten die elkaar gaan helpen met het realiseren van meer eetbaar groen in de stad.

Stadstuinieren 2015-01 Tekst: Joost Zonneveld