Voedselbos in je stadstuin – De lagen

“De juiste plant op de juiste plek zetten is de sleutel tot zorgeloos tuinieren”

In de eerste aflevering over het stadse voedselbos kon je lezen over de principes en de vele voordelen van een tuin gemodelleerd naar een natuurlijk ecosysteem. In deze aflevering zoom ik in op de verschillende lagen en laat ik zien met welke planten je ze kunt vullen, zodat je ook uit een kleine tuin een gevarieerde oogst kunt halen. Zoals eerder gezegd, is het aantal lagen dat je aanplant afhankelijk van de grootte van je tuin. In een hele kleine tuin houd je het misschien bij enkele struiken en leef je je vooral uit in de kruidlaag, in een grotere tuin passen ook meerdere bomen. Maar zelfs een geveltuin kun je door vruchtdragende klimmers en kruiden te combineren met meerdere lagen beplanten en zo de beperkte ruimte optimaal benutten.

Boomlaag

Bij het maken van een ontwerp is het een goed idee om met bomen te beginnen, want deze zullen het meest bepalend zijn. De meeste fruitbomen die je koopt zijn geënt op een onderstam en deze bepaalt, in samenspel met de groeikracht van de daarop geënte variëteit en de voedzaamheid van de bodem, hoe groot de boom uiteindelijk wordt.

De hoogte

Het is moeilijk om het je voor te stellen, maar een boom die bij het planten niet groter is dan een bezem, zou uiteindelijk hoger kunnen worden dan je huis. Kies daarom altijd een gepaste onderstam voor de beschikbare ruimte en teken in een ontwerp de uiteindelijke grootte van de boom in. Zo voorkom je dat je later bomen moet rooien omdat ze te dicht op elkaar komen te staan. Een halfstam appel, bijvoorbeeld, wordt uiteindelijk zo’n 4 tot 5 meter hoog en ongeveer even breed. Een laagstam blijft een stuk kleiner, tot zo’n drie meter. Als je ook in de overige lagen veel eetbare gewassen wilt zetten, moet er genoeg licht bij kunnen komen. Zet de bomen daarom wat verder uit elkaar, zodat de kruinen elkaar niet raken en er voldoende licht valt.

Andere zaken om over na te denken zijn bestuiving (de meeste fruitsoorten moeten voor een goede vruchtzetting bestoven worden door een ander ras) en natuurlijk de smaak en houdbaarheid van de vruchten.

Bijzondere fruitsoorten

In plaats van de gangbare fruitsoorten zoals appels, peren en pruimen, kun je ook besluiten een bijzondere fruitsoort te planten die je nooit in de winkel zult vinden. Dan kun je bijvoorbeeld een moerbei (Morus nigra) planten, een prachtige boom met donkere zoete vruchten die qua vorm lijken op een braam. Omdat ze rijp nauwelijks houdbaar zijn, worden ze weinig commercieel geteeld, maar een tuinier die ze zo van de boom kan eten, hoeft zich er niet door te laten weerhouden.

Ook de tropisch uitziende, maar volkomen winterharde pawpaw (Asimina triloba) is een interessante optie. De grote vruchten smaken als een mengeling van banaan, mango en ananas, met een vleugje chocolade, en zitten ook nog boordevol vitamines en mineralen.

Struiken

Omdat kruisbessen, aalbessen, frambozen en bramen eigenlijk allemaal inheemse struiken zijn die van nature aan de bosrand groeien, zijn ze uitstekend geschikt om in onze voedselbossen te planten. Bij kruisbessen kies je voor een zorgeloze teelt het beste voor meeldauwresistente rassen. Door de vrij dichte beplanting is de luchtcirculatie in een bostuin namelijk beperkt en zou meeldauw eerder een kans kunnen krijgen. Twee van mijn favoriete rassen om aan te planten zijn ‘Pax’ en ‘Captivator’, die niet alleen lekker smaken en meeldauwresistent zijn, maar ook nog eens doornloos, wat snoeien en plukken een stuk prettiger maakt. Aalbessen zijn er in het wit, roze en rood, waarbij de roze zoals ‘Pink Champagne’ het lekkerst uit het vuistje zijn en de rode het meest geschikt voor het maken van sap en confituur. Ook zwarte bessen zijn tamelijk makkelijk om te telen en zitten boordevol vitamine C. Ze hebben wel wat meer zon nodig om goed te rijpen en op smaak te komen.

De juiste plant op de juiste plek

De juiste plant op de juiste plek zetten is de sleutel tot zorgeloos tuinieren en een van de belangrijke gegevens van een tuin is de grondsoort. Wie bijvoorbeeld op zure en vochtige veengrond tuiniert, vindt het misschien lastig om fruitbomen gezond te houden, maar zal daarentegen succesvol zijn in het telen van blauwe bessen en veenbessen, die beide juist onder zulke omstandigheden gedijen.

Snoephaag

Frambozen, bramen en braamhybriden zijn erg geschikt om langs de schutting te leiden. Een smalle border van zo’n 40 centimeter is al voldoende – in onze achtertuin hebben we langs de naar het oosten gerichte schutting zomer- en herfstframbozen, Japanse wijnbes, loganbes en de Noord-Amerikaanse zwarte framboos (Rubus occidentalis). Omdat de bessen na elkaar rijpen, kunnen we van juni tot in het najaar van ons haagje snoepen.

Kers in struikvorm

Het bovenstaande assortiment kun je verder uitbreiden met minder bekende soorten, bijvoorbeeld de honingbes (Lonicera caerula) waarvan de bessen enigszins op de blauwe bes lijken maar veel eerder rijpen. Of wat dacht je van de Nanking kers (Prunus tomentosa), eigenlijk een kers in struikvorm? Hij wordt maar zo’n twee meter hoog en dat betekent dat je de oogst makkelijker tegen vogels kunt beschermen dan bij een volgroeide kersenboom. De kleine kersjes zitten dicht op de takken en rijpen bij ons omstreeks eind juli. Qua smaak lijken ze meer op de zure kers dan de zoete – je kunt ze eventueel vers eten of verwerken in taart of jam.

Kruidlaag

De kruidlaag zal in vrijwel elke tuin de meest gevarieerde laag van de beplanting zijn. In het begin, voordat de bomen teveel schaduw geven en de vaste planten alle ruimte innemen, kun je hier ook wat eenjarigen laten groeien, maar op den duur zal de beplanting vooral uit vaste kruiden en groentes bestaan. Je kunt zowel Mediterrane als meer noordelijke kruiden planten, zolang je rekening houdt met hun eisen. In onze tuin laat ik bijvoorbeeld tijm, salie, bonenkruid en hyssop tussen de tegels van het keermuurtje groeien. De tegels houden warmte vast en ook de drainage is uitstekend, waardoor de mediterrane kruiden zich hier thuis voelen. Munt, citroenmelisse, bieslook en lavas willen meer vocht en voeding, maar verdragen ook wat meer schaduw.

Vaste groentes

In het artikel over polycultuur in potten schrijf ik over enkele van mijn favoriete vaste groentes die allemaal een plekje verdienen. Een andere vaste groente die ik niet zou willen missen is eeuwig moeskool, een vaste bladkool die groot uitgroeit en waarvan je bijna het hele jaar kunt oogsten. Voor meer kleur kun je her en der ook wat (vaste) eetbare bloemen planten. Mijn favoriet is de daglelie (Hemerocallis) die in tegenstelling tot vele andere eetbare bloemen qua smaak wel degelijk wat te bieden heeft. De bloemen van de rode soorten smaken vaak pittig naar radijsjes, oranje soorten zijn meestal wat zoeter en de gele daglelies smaken soms citroenachtig.

Een boeiend ecosysteem

Het leuke is dat de meeste planten naast dat ze eetbaar zijn ook een andere functie in het ecosysteem kunnen vervullen en bijdragen aan de gezondheid en weerbaarheid van het geheel. Blauw/paars bloeiende kruiden zoals salie en hyssop zijn geweldige bijenplanten. Lavas en kruidvenkel, als schermbloemigen, trekken nuttige insecten zoals zweefvliegen aan die op hun beurt luizen eten. Andere planten, bijvoorbeeld weegbree of ossentong, zijn er weer goed in om voedingstoffen uit de diepere grondlagen te halen en als hun blad verteert, komen deze voedingstoffen ook voor andere planten beschikbaar.

Door bewust planten te kiezen met dergelijke functies kun je jezelf op den duur veel werk besparen. Het enige wat dan overblijft is oogsten!

Stadstuinieren 2016-06 – Tekst: Vera Greutink | Fotografie: Vera Greutink en Remco Greutink