Voedselbos in je stadstuin

“Juist in een kleine tuin valt er veel te winnen door dit model toe te passen en in lagen te gaan denken”

De laatste tijd krijgt het concept ‘voedselbos’ veel aandacht in de media als een alternatieve manier van voedselproductie. Op vele plekken worden voedselbossen aangelegd: vaak gaat het om ambitieuze projecten die meerdere hectares beslaan. Hierdoor kan de indruk ontstaan dat een voedselbos enkel voorbehouden is aan grootgrondbezitters en niet interessant voor de gemiddelde stadstuinier. Maar juist in een kleine tuin valt er veel te winnen door dit model toe te passen en in lagen te gaan denken.

Wie ervaring heeft met het telen van eenjarige groente, weet dat het een leuke, maar vrij arbeidsintensieve bezigheid is. Als je goed met de bodem omgaat en de grond bedekt houdt met mulch, wordt het allemaal wat makkelijker, maar nog steeds vragen eenjarigen veel zorg en aandacht. De reden is dat jouw keurige rijtjes met wortels haaks staan op de bedoeling van de natuur. Want wat de natuur eigenlijk wil, is dat er in plaats van rijen wortels een bos groeit. Bos is in ons klimaat namelijk ‘climax-vegetatie’ – het meest stabiele ecosysteem, waar alles onder weg naartoe is. Heb je wel eens een braakliggend stuk grond geobserveerd? Al snel beginnen er weinig eisende eenjarigen te groeien, zoals kamille, die na hun afsterven de grond zullen verbeteren. Daarna komen de sterkere vaste planten met diepere wortels, later struiken en pionierbomen zoals berk of populier. En als we de natuur verder haar gang zouden laten gaan, zouden er uiteindelijk de grote, langzaam groeiende maar langlevende bomen als eiken en beuken komen. Het kan wel 80 of 100 jaar duren, maar uiteindelijk zou er bos ontstaan en bos zou er blijven.

Groeien in lagen

Een voedselbos neemt het natuurlijke bos als voorbeeld, maar het verschil zit hem erin dat er vooral eetbare of anderszins nuttige planten groeien. Bij een bos spreken we grofweg van drie lagen: boomlaag, struiklaag en kruidlaag. Maar we kunnen de verdeling ook verder verfijnen en het geheel in zeven of zelfs acht lagen splitsen. Bij een voedselbos wordt de bovenste laag gevormd door fruit- en notenbomen, de middelste laag bestaat uit kleinfruit en notenstruiken en de onderste uit vaste groentes, kruiden en zichzelf uitzaaiende eetbare planten. Maar je hoeft niet alle zeven lagen aan te planten om van een voedselbos te kunnen spreken – het model kan op verschillende schalen toegepast worden, van een flinke pot tot een kavel van meerdere hectares. Logischerwijs: hoe kleiner de tuin hoe minder lagen je meestal aanplant. Een walnoot of een hoogstam fruitboom is voor de gemiddelde tuin te groot, maar als je voor een geschikte onderstam kiest, kun je in elke tuin wel een appelboompje kwijt.

Voedselbos, bostuin en bosrandtuin

De Engelse term ‘Edible Forest Garden’ wordt op verschillende manieren naar het Nederlands vertaald. Soms als ‘voedselbos’, soms als ‘eetbare bostuin’. Sommige mensen vinden dat ‘bosrandtuin’ een nog betere term zou zijn, omdat de diversiteit die we in onze tuinen creëren eerder overeenkomt met de diversiteit die je vindt aan de rand van een bos dan in het midden ervan. Alle drie de termen hebben echter betrekking op hetzelfde principe.

Het meeste werk is oogsten

Een van de grote voordelen van dit model is dat het de mogelijkheid biedt om ook in een tuin die niet erg geschikt is voor de teelt van eenjarige groente iets eetbaars te telen. Een stadstuin is meestal aan alle kanten omringd door schaduw-werpende muren en schuttingen en dat betekent dat er vaak weinig plekken zijn met voldoende zon om succesvol eenjarigen te kunnen telen. Maar veel eetbare vaste planten zijn tevreden met minder zon en zullen hier een goede oogst leveren.

Voor de moderne, gejaagde mens is de geringe hoeveelheid werk misschien wel het grootste voordeel van een voedselbos. Omdat er bijna uitsluitend vaste planten staan, is het niet nodig om elk jaar opnieuw te zaaien. Het maken van een goed ontwerp en het aanleggen van de tuin is vrij veel werk, maar niet meer dan bij een siertuin – en het is eenmalig. Later moeten de bomen en struiken wel eens gesnoeid worden en in de eerste jaren, voordat de planten de grond bedekken, zul je ook moeten mulchen met organisch materiaal. Maar verder is het meeste werk oogsten en dat is een bezigheid zo aangenaam, dat het amper de benaming werk verdient.

Als je ervoor zorgt dat de grond altijd bedekt is, met een mulchlaag of planten, krijgt onkruid in deze tuin weinig kans. De beplanting bestaat voornamelijk uit vaste planten die diep wortelen en daarom verdragen ze droogte beter dan eenjarige groentes, wat in combinatie met bodembedekking betekent dat water geven grotendeels overbodig zal zijn. Het hele systeem bezit door de grote diversiteit een hoge mate van weerbaarheid.

In tegenstelling tot monoculturen breiden ziektes en plagen zich in een voedselbos zelden uit. Er zijn meestal talloze kruiden aanwezig die nuttige insecten aantrekken en die houden weer de populatie schadelijke insecten in bedwang. De volledige afwezigheid van schadelijke insecten is trouwens niet wenselijk, want als er geen schadelijke insecten zijn, zullen er ook geen natuurlijke vijanden in de tuin voorkomen die in geval van een eventuele uitbraak kunnen ingrijpen. Waar we naar streven, is het creëren van evenwicht.

Ook de schommelingen van het weer kunnen goed opgevangen worden, een hete zomer is goed voor de ene plant en een koele, natte zomer weer voor een andere, dus er zal altijd wel iets te oogsten zijn in het voedselbos. De gecombineerde opbrengst uit de verschillende lagen is groter dan wanneer dezelfde ruimte met een monocultuur wordt beplant, maar de oogst is handig verspreid door het jaar. In tegenstelling tot de commerciële teelt willen we in een privé tuin niet dat alles tegelijk rijpt, maar liever dat we zolang mogelijk kunnen oogsten. Als de ruimte het toelaat, is het voor de oogstspreiding daarom ook zinvol om van een soort diverse variëteiten te telen, die verschillen in het tijdstip van oogst. Zelf hebben we bijvoorbeeld zowel de vroege rode bes ‘Jonkheer van Tets’ als de late ‘Red Poll’. Verder kun je de rijping ook beïnvloeden door dezelfde soort op verschillende plekken in de tuin te zetten: op een warme, zonnige plek zal de oogst eerder rijpen dan in (half)schaduw.

Want je oogst verandert dus met de seizoenen. In het vroege voorjaar zijn het voornamelijk de vaste groentes en kruiden waar je veel van zult plukken. In juni begint de bessenoogst en in het najaar kun je boomfruit plukken en bewaren.

Een minibostuin in pot

Ook bij het beplanten van een pot kun je in lagen denken. Het is natuurlijk handig om planten te combineren die ongeveer dezelfde behoeftes hebben wat standplaats, water en voeding betreft. In deze pot (32 cm hoog, 35 cm doorsnee), combineer ik eetbare planten die prima in halfschaduw achter ons huis kunnen groeien. Een kruisbes vormt de struiklaag en een alpenaardbei en de bodembedekkende Spaanse zuring vormen de kruidlaag . De kruisbes is de doornloze variëteit ‘Pax’ die ik heb gestekt van een struik in de moestuin en zo heb opgesnoeid dat hij een kleine stam heeft – zo blijft er meer ruimte voor onderbeplanting. In het voorjaar krijgt de pot een laagje rijpe wormenmest en tijdens het groeiseizoen voed ik de planten bij met verdund vocht uit de wormenbak.

Stadstuinieren 2016-05 – Tekst: Vera Greutink | Fotografie: Vera Greutink en Remco Greutink