Mijn moestuin: Een heel jaar eten van twaalf vierkante meter

“Dieven lusten geen spruitjes”

Al zijn hele leven eet Wil (70) vanuit eigen tuin. De laatste zestien jaar is dat een stadstuin in Amsterdam West. Groenten die hij niet meteen op kan eten vriest hij in. Ook maakt hij jam, van bessen en frambozen. Er zijn wel kapers op de kust. Zowel vogels als buurtkinderen jagen op die zoete vruchten. De spruitjes eet hij allemaal zelf op. Dit jaar moest hij wel heel lang wachten tot hij die kon oogsten.

 

“Spruitjes moet je pas oogsten als de vorst eroverheen is geweest. Ze worden er malser van. De mensen die vinden dat het helemaal niet nodig is kunnen me nog meer vertellen. Afgelopen winter heb ik dus wel erg lang op moeten wachten. Uiteindelijk smaakte de stamppot die ik er van maakte heerlijk. Ik doe er appels doorheen, en uien. Vroeger ook altijd spekjes, maar de laatste twee jaar eet ik bijna alleen nog maar vegetarisch. Dan hoef ik ook bijna geen boodschappen te doen.”
“Ik heb deze spruitjes begin april in de volle grond gezaaid. Je moet ze ruim zaaien, ze moeten niet te dicht op elkaar staan. Sommige planten heb ik laten doorschieten. Dan heb je ook nog een kooltje. Sommigen noemen dat savooiekool. Ook best lekker voor een keer. Met sambal.”
“Ik probeer ieder jaar nieuwe dingen uit. Dit jaar waren dat kapucijners. Die lukten aardig. De meeste heb ik vers gegeten. Vijf minuten koken, en dan alleen wat boter en zout eroverheen. Maar ik heb ook wat porties gedroogd. Op een zonnige dag, op mijn tuintafel. Die eet ik binnenkort maar eens op.”

“Ik ben wel een tijdje bezig geweest om draadgaas neer te zetten waar die kapucijners en andere bonen tegenop konden klimmen. Ik heb wel groene vingers, maar in timmeren en dergelijke ben ik niet zo handig. Helemaal niet nu ik niet meer goed loop. Van mijn huis naar mijn moestuin is maar honderd meter, maar ik neem toch de scoot-mobiel. Is ook wel weer makkelijk, want dan kan ik mijn gereedschap achterop leggen. En mijn gieter. Er is een kraan vlakbij, maar ik sproei niet met een tuinslang. Zo kan ik beter doseren. Niet ieder gewas heeft evenveel nodig. Daar ben ik heel zorgvuldig in. Je kunt dingen ook laten verdrinken.”

“Vorig jaar zijn al mijn hekjes vertrapt. Er wonen helaas van die akelige jongens in de buurt die het leuk vinden om dingen kapot te maken. Vooral als de frambozen en bessenstruiken vol hangen heb ik last van ze. Ze zijn me vaak voor. Er zijn hier ook veel vogels. Ze zeggen dat de huismus het slecht doet in de stad. Nou, hier zijn er genoeg. Net als duiven. Maar ’t ergste zijn de halsbandparkieten. Wie die in de stad heeft geïmporteerd lust ik rauw. Toch blijft er nog wel wat over om jam te maken. Ik doe gewoon alle vruchten door elkaar, en een beetje geleisuiker erdoor.”
“Waar ik ook niet blij mee ben zijn de katten van de buren. Waarom die nou in mijn tuin moeten poepen? Ook baal ik van de manier waarop zij hun tuin onderhouden. Ik snap wel dat ze niet zo veel tijd hebben als ik. Maar onkruid weghalen is toch wel het minste wat je kunt doen. Het komt ook mijn kant op, begrijp je. Een andere buurvrouw is jaloers dat bij mij alles lukt. Nou dat is ook niet waar hoor, op de een of andere manier lukken pastinaak en bospeen bij mij niet en bij haar juist weer wel.”

“Mijn favoriete producten, die ik al jaren verbouw, zijn bloemkool, bietjes, prei en koolrabi. Als je alles goed verdeelt kan je met die twaalf vierkante meter echt genoeg verbouwen om een heel jaar van te leven.”

 

 

 

 

Stadstuinieren 2014-01 – Tekst: Edith Andriesse