Moestuinmoeder: Evolutie

De tijd is weer aangebroken waarop we met het hele gezin uit de moestuin kunnen eten. Dagelijks verse porties sla, piepkleine boontjes en de eerste aardbeien komen eraan. Hoe heerlijk is dat! En wie had dat kunnen vermoeden, dat ik zo’n fanatieke moestuinmoeder zou worden.

“Saaie struiken werden vervangen door fruitbomen, pompoenen namen de plaats in van bodembedekkers”

Mijn eerste eigen plekje was een studentenhuis met een dakterras van 3x3 meter in de binnenstad van Breda. Van Rooftop Gardening had toen nog niemand gehoord. Behalve een krat bier, een roestige barbecue en een paar armetierige geraniums stond er niet veel op.

Na mijn afstuderen werd ik verliefd op een zeeman zonder groene vingers. Hij kwam aan wal en we betrokken samen een appartement met een minibalkon. Maar met twee fulltime banen en de kroeg om de hoek dachten wij niet aan moestuinieren. We kochten werkelijk alles in de supermarkt. Ik kan mij niet eens meer herinneren of we wel elke dag verse groenten aten. Onze volgende flat had iets meer buitenruimte te bieden: voor en achter een riant balkon. Maar ook toen kocht ik vooral heideplantjes in de winter en viooltjes in het voorjaar. Eetbare bloemen? Het waren misschien alleen de overgebleven hippies die daarmee besmet waren. Violen horen niet in de sla, dachten we toen nog. Wel kwamen begin jaren negentig de eerste biologische groentepakketten in de mode. Ik haalde elke week een tas op, met iedere keer weer die verdomde witte kool. We proefden raapsteeltjes, pompoenen en verse bieten. Mam, hoe lang moet ik die koken?

Van lieverlee kreeg ik meer interesse in koken. Ik maakte een knipselboek met recepten, zo charmant was dat! Daar kan eigenlijk de iPad niet tegenop. Van die smoezelige A4-tjes die je elke keer weer erbij pakte om die heerlijke ovenschotel te maken. Toen de relatie met de ex-zeeman stand bleek te houden, gingen we op zoek naar een huis met een tuin. We hadden al snel een bouwval gevonden waar een flinke stadstuin bij hoorde: honderd vierkante meter met coniferen. We toverden huis en haard om in een paradijs. Saaie struiken werden vervangen door fruitbomen, pompoenen namen de plaats in van bodembedekkers. In een van de mooiste zomers hing onze tuin vol met rode en gele tomaten. Dat smaakte naar meer.

Met de komst van onze twee jongens groeide niet alleen ons gezin, maar ook de interesse in biologisch, onbespoten voedsel. En toen ik dankzij de kwakkelende economie opeens zeeën van tijd had, huurde ik een volkstuin. En meteen maar twee percelen. Van half werk heb ik toch al nooit gehouden. De kinderen hielpen spitten en harken. Ze zaaiden hun eerste tuinbonen, niet wetende dat ze die intens gingen haten. Ze proefden van de verse doperwten en gele bieten. Ik hoop van harte dat ze later nog met plezier terug denken aan de groente van moeders. Dat ze heel misschien in hun studentenhuis een paar tomatenplanten op het balkon zetten, naast dat kratje bier. Tegen de tijd dat ik in een bejaardenflat beland, denk ik dat die allemaal een strobalenmoestuin op het dak hebben!

Stadstuinieren 2015-03 Tekst en fotografie: Susan Lambeck